Het leven van Jezus tot zijn twaalfde jaar 5 studies
De bediening van Johannes de Doper 1 studie
Van het derde Pesach tot het begin van de laatste week 5 studies
Het optreden van Jezus: roepingen, wonderen en onderwijs 1 studie
De laatste week vóór de arrestatie 16 studies
- 13De terugkeer naar Betanië
- 14Reiniging van de tempel (tweede keer)
- 15Genezing van blinden en kreupelen
- 16Dagelijks onderricht in de tempel
- 17De terugkeer, opnieuw, naar Betanië
De laatste dag tot de kruisiging 1 studie
De openbaring van Daniël 2 studies
De tegenstrijdigheden 2 studies
Bediening van Petrus 5 studies
Historische aantekeningen 5 studies
Woord van een Vriend 1 studie
Het leven van Jezus tot zijn twaalfde jaar
-
PER003
Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper
Dit artikel beschrijft de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper, die uitsluitend in het Evangelie van Lucas wordt verteld. Het belicht de aandacht voor historische details en de profetische betekenis van Johannes als voorloper van Jezus.
Lukas 1.5-25 (De Heilige Schrift 1917) :In de dagen van Herodes, den koning van Judea, was een zeker priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochteren van Aaron, en haar naam Elizabet.En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk.En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden verre op hun dagen gekomen waren.En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt zijner dagorde.Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen.En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des reukoffers.En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter zijde van het altaar des reukoffers.En Zacharias, hem ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen.Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan.En hij zal velen der kinderen Israels bekeren tot den Heere, hun God.En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk.En Zacharias zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is verre op haar dagen gekomen.En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriel, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang vertoefde in den tempel.En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij een gezicht in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom.En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende:Alzo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, in welke Hij mij aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER017
De reiniging van Maria
Het artikel bespreekt Maria's reiniging na Jezus' geboorte, een Joods ritueel dat Jozef en Maria in de tempel van Jeruzalem volgen. Deze daad van toewijding en nederigheid, beschreven in Lucas 2:22-24, toont hun trouw aan de wet van Mozes ondanks hun bescheiden financiële middelen.
Leviticus 12.1-8 (De Heilige Schrift 1917) :Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen der afzondering harer krankheid zal zij onrein zijn.En op den achtsten dag zal het vlees zijner voorhuid besneden worden.Daarna zal zij drie en dertig dagen blijven in het bloed harer reiniging; niets heiligs zal zij aanroeren, en tot het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen harer reiniging vervuld zijn.Maar indien zij een meisje gebaard zal hebben, zo zal zij twee weken onrein zijn, volgens haar afzondering; daarna zal zij zes en zestig dagen blijven in het bloed harer reiniging.En als de dagen harer reiniging voor den zoon, of voor de dochter, vervuld zullen zijn, zo zal zij een eenjarig lam ten brandoffer, en een jonge duif, of tortelduif, ten zondoffer brengen, voor de deur van de tent der samenkomst, tot den priester.Die zal dat offeren voor het aangezicht des HEEREN, en zal voor haar verzoening doen, zo zal zij rein zijn van den vloed haars bloeds. Dit is de wet dergene, die een knechtje of meisje gebaard heeft.Maar indien haar hand niet genoeg voor een lam vindt, zo zal zij twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, een ten brandoffer, en een ten zondoffer; en de priester zal voor haar verzoening doen; zo zal zij rein zijn.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER018
De ontmoeting met Simeon
De ontmoeting van de Heilige Familie met Simeon in de tempel van Jeruzalem, volgens het Evangelie van Lucas, versterkt Maria en Jozefs besef van Jezus' goddelijke opdracht.
Lukas 2.25-35 (De Heilige Schrift 1917) :En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de vertroosting Israels, en de Heilige Geest was op hem.En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Heeren zou zien.En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen;Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide:Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord;Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken:Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israel.En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd.En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israel, en tot een teken, dat wedersproken zal worden.(En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER019
De ontmoeting met Hanna
Het artikel onderzoekt de ontmoeting tussen de profetes Hanna en Jezus in de tempel. Het benadrukt haar herkenning van de Messias en de geestelijke invloed van haar getuigenis op tempelbezoekers, in verband met de Joodse messiaanse verwachtingen.
Lukas 2.36-38 (De Heilige Schrift 1917) :En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuel, uit den stam van Aser; deze was tot groten ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af.En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke niet week uit den tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag.En deze, te dierzelfder ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heere beleden, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER028
Het twaalfjarige kind Jezus in de tempel
Dit artikel behandelt de gebeurtenis in het Evangelie van Lucas waarbij Jezus op twaalfjarige leeftijd in de tempel onderricht geeft. Het belicht het samengaan van zijn goddelijke kennis en zijn menselijk leven en verklaart zijn geestelijke en lichamelijke groei. Lucas en de evangeliën laten zijn tienerjaren weg, een keuze die zijn gewone levensweg als goddelijke persoon moet benadrukken.
Lukas 2.41-52 (De Heilige Schrift 1917) :En Zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van pascha.En toen Hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag;En de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het Kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet.Maar menende, dat Hij in het gezelschap op den weg was, gingen zij een dagreize, en zochten Hem onder de magen, en onder de bekenden.En als zij Hem niet vonden, keerden zij wederom naar Jeruzalem, Hem zoekende.En het geschiedde, na drie dagen, dat zij Hem vonden in den tempel, zittende in het midden der leraren, hen horende, en hen ondervragende.En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden.En zij, Hem ziende, werden verslagen; en Zijn moeder zeide tot Hem: Kind! waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht.En Hij zeide tot hen: Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak.En Hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En Zijn moeder bewaarde al deze dingen in haar hart.En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de mensen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
De bediening van Johannes de Doper
-
PER039
De handelaars uit de tempel verdreven
Perikoop 39 onderzoekt Jezus' reiniging van de tempel zoals Johannes die beschrijft (Johannes 2.14-22). De auteur verdedigt de opvatting dat het om twee afzonderlijke gebeurtenissen gaat, met drie jaar ertussen. De eerste vindt plaats tijdens het eerste Pesach van Jezus' bediening, op 7 april 30. Het artikel onderzoekt de historische context van de tempel van Herodes, de rol van Kajafas en het Sanhedrin, en twee kernlessen: Jezus' ijver voor Gods huis en de profetische aankondiging van zijn opstanding.
Johannes 2.14-22 (De Heilige Schrift 1917) :En Hij vond in den tempel, die ossen, en schapen, en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende.En een gesel van touwtjes gemaakt hebbende, dreef Hij ze allen uit den tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der wisselaren stortte Hij uit, en keerde de tafelen om.En Hij zeide tot degenen, die de duiven verkochten: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel.En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden.De Joden antwoordden dan, en zeiden tot Hem: Wat teken toont Gij ons, dat Gij deze dingen doet?Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten.De Joden zeiden dan: Zes en veertig jaren is over dezen tempel gebouwd, en Gij, zult Gij dien in drie dagen oprichten?Maar Hij zeide dit van den tempel Zijns lichaams.Daarom, als Hij opgestaan was van de doden, werden Zijn discipelen gedachtig, dat Hij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift, en het woord, dat Jezus gesproken had.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
Van het derde Pesach tot het begin van de laatste week
-
PER206
Het Loofhuttenfeest
Perikoop 206 behandelt het Loofhuttenfeest (Soekot), dat alleen door Johannes wordt beschreven (7,2-10). Jezus besluit in oktober van het jaar 32 n.Chr. in het geheim naar Jeruzalem op te gaan, zes maanden voor zijn arrestatie. Johannes onthult de spanning met de religieuze autoriteiten en het ongeloof van de broers van Jezus, elementen die in de synoptische evangeliën ontbreken.
Johannes 7.10 (De Heilige Schrift 1917) :Maar als Zijn broeders opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER213
Onderwijs van de Messias Jezus in de tempel
Tijdens het Loofhuttenfeest in oktober van het jaar 32 onderwijst de Messias Jezus in de tempel van Jeruzalem met een gezag dat de menigte verbaast en de farizeeën verontwaardigt. Johannes 7.14-24 vertelt over deze unieke episode, waarin Jezus verklaart dat zijn onderricht van God komt en een genezing op de sabbat verdedigt met een strenge schriftuurlijke argumentatie. De vijandigheid van de religieuze autoriteiten neemt toe.
Johannes 7.15 (De Heilige Schrift 1917) :En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER224
Onderricht over het gebed
De pericoop PER224 presenteert het onderricht van Jezus over het gebed, gegeven op de Olijfberg in december van het jaar 32. Op basis van Matteüs 6.9-13 en Lucas 11.1-4 onderzoekt zij het Onze Vader in twee verschillende contexten. Lucas plaatst de gebeurtenis in de buurt van Jeruzalem, na het bezoek aan Betanië en vóór de genezing van een bezetene. De leerlingen, van wie sommigen Johannes de Doper hadden gevolgd, vragen Jezus hen te leren bidden.
Lukas 11.1-4 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde, toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield, dat een van Zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.En Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.Geef ons elken dag ons dagelijks brood.En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een iegelijk, die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER229
Herinnering aan het bloedbad onder de Galileeërs door Pilatus
De perikoop PER229 (Lucas 13,1-5) vertelt hoe getuigen van een farizeese maaltijd Jezus aanspreken over het bloedbad dat Pilatus onder Galileeërs aanrichtte. Jezus weigert daarin een goddelijke straf te zien en roept op tot persoonlijk berouw, waarbij hij ook de val van de toren van Siloam noemt. Hij leert dat de dood het gemeenschappelijke lot van allen is en dat alleen berouw de toegang tot het Koninkrijk van God opent.
Lukas 13.5 (De Heilige Schrift 1917) :Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER234
Klacht over Jeruzalem
De Klacht over Jeruzalem (Mt 23.37-39; Lc 13.34-35) toont Jezus die huilt over de heilige stad, enkele dagen vóór zijn lijden. Door het beeld van de kip die haar kuikens beschermt, drukt hij de verworpen goddelijke liefde uit, veroordeelt hij de moord op de profeten en kondigt hij de verwoesting van de Tempel aan, terwijl hij de hoop op een uiteindelijke verzoening openlaat.
Klaagliederen 2.15 (De Heilige Schrift 1917) :Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter Jeruzalems, zeggende: Is dit die stad, waar men van zeide, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde der ganse aarde?De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
Het optreden van Jezus: roepingen, wonderen en onderwijs
-
PAR017
De tien maagden
De gelijkenis van de uitlopende vijgenboom, die wordt verteld door Matteüs, Marcus en Lucas, nodigt de discipelen uit de tekenen des tijds met waakzaamheid en hoop te lezen. Zoals de knoppen de zomer aankondigen, zo kondigen de gebeurtenissen in de wereld de terugkeer van de Messias aan. Het woord van Jezus, zeker en eeuwig, staat borg voor de vervulling van al zijn beloften over het Koninkrijk van God.
Mattheüs 24.32-35 (De Heilige Schrift 1917) :En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.Alzo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur.Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
De laatste week vóór de arrestatie
-
PER281
De terugkeer naar Betanië
Na zijn triomfantelijke intocht in Jeruzalem verlaat Jezus bij het vallen van de avond de stad om met zijn twaalf leerlingen, onder wie Judas, terug te keren naar Betanië. Dit voorval, vooral verteld door Marcus (11.11) en Matteüs (21.17) en gesitueerd op zondag 27 maart van het jaar 33, illustreert het ritme van de laatste week: dagen in de Tempel, nachten bij Betanië. De leerlingen maken van deze tochten gebruik om hun Meester te vragen naar de betekenis van zijn messiaanse daden.
Zacharia 9.9 (De Heilige Schrift 1917) :Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER284
Reiniging van de tempel (tweede keer)
De tweede reiniging van de tempel door Jezus, op maandag 28 maart van het jaar 33, is een profetische en symbolische daad. Door de verkopers uit het voorhof van de heidenen te verdrijven en Jesaja en Jeremia aan te halen, hekelt Jezus de verdorvenheid van de eredienst, bevestigt hij zijn messiaanse gezag en kondigt hij het komende oordeel over de tempel aan. Deze gebeurtenis versnelt het besluit van de religieuze leiders om hem te doden.
Jesaja 56.7 (De Heilige Schrift 1917) :Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER285
Genezing van blinden en kreupelen
Na de reiniging van de tempel geneest Jezus op maandag 28 maart van het jaar 33 blinden en lammen op het voorhof. Alleen Matteüs vertelt deze gebeurtenis. De menigte en de kinderen juichen hem toe als Zoon van David, terwijl de overpriesters en de schriftgeleerden, steeds vijandiger, verontwaardigd zijn over deze messiaanse betuigingen. Deze gebeurtenis laat het contrast zien tussen het geloof van het eenvoudige volk en de afwijzing door de godsdienstige leiders.
Mattheüs 21.14 (De Heilige Schrift 1917) :En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in den tempel, en Hij genas dezelve.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER286
Dagelijks onderricht in de tempel
Perikoop 286 beschrijft het dagelijkse onderricht van Jezus in de tempel van Jeruzalem tijdens de paasweek (maandag 28 maart 33 n.Chr.). Zij is voornamelijk gebaseerd op Lucas 19,47-48 en toont de groeiende tegenstelling tussen de bewonderende menigten en de vijandige godsdienstige leiders — schriftgeleerden, overpriesters, sadduceeën en farizeeën — die Jezus het zwijgen willen opleggen, omdat zijn boodschap van het Koninkrijk van God hun gevestigde macht bedreigt.
Lukas 19.47-48 (De Heilige Schrift 1917) :En Hij leerde dagelijks in den tempel; en de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de oversten des volks zochten Hem te doden.En zij vonden niet, wat zij doen zouden; want al het volk hing Hem aan, en hoorde Hem.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER287
De terugkeer, opnieuw, naar Betanië
PER287 beschrijft de terugkeer van Jezus en zijn leerlingen naar Betanië na een dag in de tempel van Jeruzalem, op maandag 28 maart 33 n.Chr. Deze episode, die vooral door Marcus 11.19 wordt getuigd, werpt licht op de nachtelijke routine van de groep rond Marta, Maria en Lazarus. Het artikel behandelt de verspreide gastvrijheid, de rol van de vrouwen, de dagelijkse heen- en terugreizen tussen Betanië en Jeruzalem en het onbegrip van de leerlingen bij de aankondigingen van het lijden.
Lukas 10.38-42 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde, als zij reisden, dat Hij kwam in een vlek; en een zekere vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis.En deze had een zuster, genaamd Maria, welke ook, zittende aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde.Doch Martha was zeer bezig met veel dienens, en daarbij komende, zeide zij: Heere, trekt Gij U dat niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe.En Jezus, antwoordende, zeide tot haar: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen;Maar een ding is nodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER289
Het gezag van de Messias Jezus betwist
In de tempel van Jeruzalem betwisten de religieuze leiders openlijk het gezag van Jezus. Met een slimme wedervraag over de doop van Johannes brengt hij hen tot zwijgen en legt hij hun kwade trouw bloot. Deze synoptische episode (Mt 21.23-27; Mc 11.27-33; Lc 20.1-8) toont het groeiende verzet van de autoriteiten tegen de Messias tijdens zijn laatste week vóór de arrestatie.
Markus 11.27-33 (De Heilige Schrift 1917) :En zij kwamen wederom te Jeruzalem. En als Hij in den tempel wandelde, kwamen tot Hem de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen.En zeiden tot Hem: Door wat macht doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven, dat Gij deze dingen doen zoudt?Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen; antwoordt Mij ook, en zo zal Ik u zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe:De doop van Johannes, was die uit den hemel, of uit de mensen? Antwoordt Mij.En zij overlegden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?Maar indien wij zeggen: Uit de mensen; zo vrezen wij het volk; want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlijk een profeet was.En, antwoordende, zeiden zij tot Jezus: Wij weten het niet. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER290
De gelijkenis van de twee zonen
De gelijkenis van de twee zonen (Mt 21,28-32), alleen door Matteüs overgeleverd, speelt zich af in de tempel van Jeruzalem tijdens de laatste week van Jezus. Ze zet twee houdingen tegenover elkaar: beloven zonder te handelen versus weigeren en daarna gehoorzamen. Jezus ontmaskert hierin de huichelarij van de religieuze leiders en kondigt aan dat de berouwvolle zondaars vóór hen het Koninkrijk binnengaan. Een universele oproep tot nederigheid en oprecht berouw.
Mattheüs 21.30 (De Heilige Schrift 1917) :En gaande tot den tweeden, zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer! en hij ging niet.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER292
De gelijkenis van het bruiloftsmaal
De gelijkenis van het bruiloftsmaal (Mt 22,1-14 ; Lc 14,15-24) leert dat God alle mensen uitnodigt in zijn Koninkrijk, maar dat het afwijzen van die uitnodiging een zwaar oordeel met zich meebrengt. Ze werd op dinsdag van de lijdensweek in de tempel van Jeruzalem uitgesproken en kondigt profetisch de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. aan. De man zonder bruiloftskleed herinnert eraan dat de toegang tot het Koninkrijk een echte geestelijke verandering vereist, die door het geloof in Christus wordt ontvangen.
Lukas 14.15-24 (De Heilige Schrift 1917) :En als een van degenen, die mede aanzaten, deze dingen hoorde, zeide hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods.Maar Hij zeide tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen.En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals, om den genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.En dezelve dienstknecht weder gekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijn dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in.En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats.En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde;Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER293
De vragen van de vreemdelingen aan de Messias Jezus
Een episode die alleen bij Johannes voorkomt (Johannes 12.20-50), gesitueerd op de dinsdag van de lijdensweek in het voorhof van de heidenen. Enkele Grieken vragen Jezus te zien, wat de aankondiging van het uur van zijn verheerlijking teweegbrengt. Met het beeld van de graankorrel openbaart Jezus dat zijn dood de bron is van universeel leven. Het kruis wordt voorgesteld als een glorierijke verhoging die alle mensen tot hem trekt en het heil voor alle volken opent.
Johannes 12.44-50 (De Heilige Schrift 1917) :En Jezus riep, en zeide: Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Dengene, Die Mij gezonden heeft.En die Mij ziet, die ziet Dengene, Die Mij gezonden heeft.Ik ben een Licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve.En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make.Die Mij verwerpt, en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage.Want Ik heb uit Mijzelven niet gesproken; maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal, en wat Ik spreken zal.En Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is. Hetgeen Ik dan spreek, dat spreek Ik alzo, gelijk Mij de Vader gezegd heeft.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER294
De vragen van de farizeeën en de herodianen
Farizeeën en Herodianen proberen Jezus in de val te lokken door hem te vragen of men de belasting aan de keizer moet betalen. Zijn antwoord — “Geef de keizer wat des keizers is, en God wat Gods is” — doorkruist de valstrik en legt het fundamentele onderscheid vast tussen burgerlijk gezag en goddelijke soevereiniteit, en herinnert eraan dat de mens, die het beeld van God draagt, helemaal aan hem toebehoort.
Markus 12.13-17 (De Heilige Schrift 1917) :En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet?(12:14) Zullen wij geven, of niet geven? (12:15) En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? en zij zeiden tot Hem: Des keizers.En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER295
De vragen van de farizeeën en de herodianen
In de Tempel van Jeruzalem proberen de sadduceeën Jezus in de val te lokken met een vraag over de opstanding, waarin een vrouw voorkomt die zeven mannen had. Jezus antwoordt door hun onwetendheid over de Schriften en de kracht van God aan het licht te brengen: in het toekomstige leven trouwt men niet meer. Hij bewijst de opstanding uit de Tora door Exodus 3.6 aan te halen: God is een God van levenden, niet van doden. Zijn tegenstanders worden tot zwijgen gebracht.
Markus 1.22 (De Heilige Schrift 1917) :En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER296
De vragen van de wetgeleerden
In de laatste week vóór zijn lijden wordt Jezus door wetgeleerden ondervraagd over het grootste gebod. Hij vat de hele Wet samen in twee beginselen: God liefhebben en zijn naaste liefhebben. Een oprechte schriftgeleerde erkent de juistheid van dit antwoord, en Jezus zegt hem dat hij niet ver van het Koninkrijk is. Het artikel nuanceert het beeld van het farizeïsme en nodigt uit tot een geloof dat in liefde wordt geleefd in plaats van in wettisch denken.
Markus 12.28-34 (De Heilige Schrift 1917) :En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van alle?En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel! de Heere, onze God, is een enig Heere.En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze.En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij;En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen.En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER297
De messiaanse waardigheid van Jezus
In de voorhof van de tempel van Jeruzalem ondervraagt Jezus op de dinsdag vóór zijn lijden de farizeeën over de identiteit van de Messias. Door Psalm 110 aan te halen, onthult hij dat de Messias tegelijk Zoon van David is naar het vlees en eeuwige Heer naar zijn goddelijkheid. Zo brengt hij zijn tegenstanders in verwarring, die zonder antwoord blijven. Een fundamentele christologische uitspraak over de dubbele natuur van Jezus.
Mattheüs 22.41-46 (De Heilige Schrift 1917) :Als nu de Farizeen samenvergaderd waren, vraagde hun Jezus,En zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon.Hij zeide tot hen: Hoe noemt Hem dan David, in den Geest, zijn Heere? zeggende:De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.Indien Hem dan David noemt zijn Heere, hoe is Hij zijn Zoon?En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER298
Requisitoir tegen de religieuze leiders
Op het voorhof van de tempel van Jeruzalem houdt Jezus op de woensdag vóór zijn lijden een scherp requisitoir tegen de schriftgeleerden en de farizeeën. In acht uitspraken van ‘Wee u!’ hekelt hij hun huichelarij, hun hoogmoed en hun schijnreligie, terwijl hij zijn diepe smart om Jeruzalem uitspreekt. Hij roept zijn discipelen op tot een echt, nederig geloof dat anderen dient.
Mattheüs 23.39 (De Heilige Schrift 1917) :Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER299
De gave van de arme weduwe
In de tempel van Jeruzalem ziet Jezus hoe een arme weduwe twee kleine muntjes in de schatkist legt, alles wat zij bezit. In tegenstelling tot de rijken, die met vertoon van hun overvloed geven, brengt zij haar volledige levensonderhoud als gave. Jezus verklaart dat zij meer heeft gegeven dan alle anderen, waarmee Hij de menselijke maatstaven van waarde omkeert. Dit verhaal, overgeleverd door Marcus (12.41-44) en Lucas (21.1-4), leert dat ware vrijgevigheid niet wordt gemeten aan de hoeveelheid die men geeft, maar aan de gezindheid van het hart en het gebrachte offer.
Mattheüs 6.3-4 (De Heilige Schrift 1917) :Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linker hand niet weten, wat uw rechter doet;Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER300
Het ongeloof van de Joden
Perikoop 300 behandelt het ongeloof van de Joden tegenover de tekenen die Jezus verrichtte, een gebeurtenis die alleen door Johannes wordt verteld (Joh 12,37-50) en die zich afspeelt in de tempel van Jeruzalem op woensdag 30 maart 33 n.Chr. Daartegenover illustreert de gift van de arme weduwe echt geloof. Jezus keert de menselijke maatstaven om: ware vrijgevigheid wordt niet afgemeten aan de hoeveelheid die wordt gegeven, maar aan de gesteldheid van het hart, dat aan God alles aanbiedt wat men is.
Markus 12.41-44 (De Heilige Schrift 1917) :En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben.Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar gansen leeftocht.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
De laatste dag tot de kruisiging
-
PER359
De buitengewone tekenen bij de dood van Jezus
Bij de dood van Jezus op Golgota doen zich verscheidene buitengewone tekenen voor: het voorhangsel van de tempel scheurt van boven tot onder, als symbool van de directe toegang tot God; een aardbeving schudt de streek; rotsen splijten en graven gaan open. Deze verschijnselen, die vooral door Matteüs worden verhaald, betekenen het einde van het oude verbond, de komst van een nieuw verbond en de overwinning van Christus op de dood, bevestigd door de belijdenis van de Romeinse centurio.
Psalmen 18.7 (De Heilige Schrift 1917) :(18:8) Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
De openbaring van Daniël
-
DAN007
Daniël 5 – Het feest van Belsazar: wanneer Babylon gewogen en veroordeeld wordt
Daniël 5 vertelt de val van Babylon onder de regering van Belsazar, die de heilige vaten ontwijdt. Een geheimzinnig opschrift, door Daniël uitgelegd, voorspelt het einde van het koninkrijk. God oordeelt de menselijke machten, en dit illustreert de arrogantie van Belsazar.
Daniël 5.1-30 (De Heilige Schrift 1917) :De koning Belsazar maakte een groten maaltijd voor zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend.Als Belsazar den wijn geproefd had, zeide hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven uit dezelve dronken.Toen bracht men voor de gouden vaten, die men uit den tempel van het huis Gods, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijwijven dronken daaruit.Zij dronken den wijn, en prezen de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden.Ter zelfder ure kwamen er vingeren van eens mensen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar, op de kalk van den wand van het koninklijk paleis, en de koning zag het deel der hand, die daar schreef.Toen veranderde zich de glans des konings, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden zijner lendenen werden los, en zijn knieen stieten tegen elkander aan.Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.Toen kwamen al de wijzen des konings in; maar zij konden dit schrift niet lezen, noch den koning deszelfs uitlegging bekend maken.Toen verschrikte de koning Belsazar zeer, en zijn glans werd aan hem veranderd, en zijn geweldigen werden verbaasd.Om deze woorden des konings en zijner geweldigen, ging de koningin in het huis des maaltijds. De koningin sprak en zeide: O koning, leef in eeuwigheid! laat u uw gedachten niet verschrikken, en uw glans niet veranderd worden.Er is een man in uw koninkrijk, in wien de geest der heilige goden is, want in de dagen uws vaders is bij hem gevonden licht, en verstand, en wijsheid, gelijk de wijsheid der goden is; daarom stelde hem de koning Nebukadnezar, uw vader, tot een overste der tovenaars, der sterrekijkers, der Chaldeen, en der waarzeggers, uw vader, o koning!Omdat een voortreffelijke geest, en wetenschap, en verstand van een, die dromen uitlegt, en der aanwijzing van raadselen, en van een, die knopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniel, dien de koning den naam van Beltsazar gaf; laat nu Daniel geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven.Toen werd Daniel voor den koning ingebracht. De koning antwoordde en zeide tot Daniel: Zijt gij die Daniel, een uit de gevankelijk weggevoerden van Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft?Ik heb toch van u gehoord, dat de geest der goden in u is, en dat er licht, en verstand, en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt.Nu, zo zijn voor mij ingebracht de wijzen en de sterrekijkers, om dit schrift te lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend te maken; maar zij kunnen de uitlegging dezer woorden niet te kennen geven.Doch van u heb ik gehoord, dat gij uitleggingen kunt geven, en knopen ontbinden; nu, indien gij dit schrift zult kunnen lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend maken, gij zult met purper bekleed worden, met een gouden keten om uw hals, en gij zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn.Toen antwoordde Daniel, en zeide voor den koning: Heb uw gaven voor uzelven, en geef uw vereringen aan een ander; ik zal nochtans het schrift voor den koning lezen, en de uitlegging zal ik hem bekend maken.Wat u aangaat, o koning! de allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnezar het koninkrijk, en grootheid, en eer, en heerlijkheid gegeven;En vanwege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natien en tongen voor hem; dien hij wilde, doodde hij, en dien hij wilde, behield hij in het leven, en dien hij wilde, verhoogde hij, en dien hij wilde, vernederde hij.Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd ter hovaardij, werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten, en men nam de eer van hem weg.En hij werd van de kinderen der mensen verstoten, en zijn hart werd den beesten gelijk gemaakt, en zijn woning was bij de woudezelen; men gaf hem gras te smaken gelijk den ossen; en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat hij bekende, dat God, de Allerhoogste, Heerser is over de koninkrijken der mensen, en over dezelve stelt, wien Hij wil.En gij, Belsazar, zijn zoon! hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles wel geweten hebt.Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.Toen is dat deel der hand van Hem gezonden, en dit schrift getekend geworden.Dit nu is het schrift, dat daar getekend is: MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN.Dit is de uitlegging dezer woorden: MENE; God heeft uw koninkrijk geteld, en Hij heeft het voleind.TEKEL; gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht gevonden.PERES; uw koninkrijk is verdeeld, en het is den Meden en den Perzen gegeven.Toen beval Belsazar, en zij bekleedden Daniel met purper, met een gouden keten om zijn hals, en zij riepen overluid van hem, dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was.In dienzelfden nacht, werd Belsazar, der Chaldeen koning, gedood.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
DAN013
Daniël 11 – De oorlogen van de koningen en de tijd van het einde (Didactische versie)
Daniël 11 beschrijft in detail profetieën over historische conflicten, onder wie Antiochus IV, en kondigt toekomstige spanningen aan. Ondanks de vervolgingen wordt de trouw aan God op de voorgrond geplaatst.
De tegenstrijdigheden
-
CTD025
Het voorhangsel van de tempel?
Deze tekst bespreekt de vermeende tegenstrijdigheid over het moment van de dood van Jezus en het scheuren van het voorhangsel van de tempel. De auteurs van de Evangeliën Matteüs, Marcus en Lucas streven niet naar een nauwkeurige chronologie, maar onderstrepen symbolisch de toegang tot de goddelijke aanwezigheid.
Mattheüs 27.50-51 (De Heilige Schrift 1917) :En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf den geest.En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeen, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
CTD030
Het loon van Judas?
Het artikel analyseert een schijnbare tegenstrijdigheid in de Bijbel over het gebruik van het geld van Judas. De Evangeliën tonen twee invalshoeken op de verantwoordelijkheid voor en de toewijzing van de aankoop van een akker, en onderstrepen dat er geen werkelijke tegenstrijdigheid is, maar een samenhangend verhaal dat meer symbolisch dan letterlijk is.
Mattheüs 27.6-7 (De Heilige Schrift 1917) :En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is.En te zamen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
Bediening van Petrus
-
ADA018
De opmerkelijke groei van de vroege kerk
Het artikel ADA018 becommentarieert Handelingen 5.12-16 en beschrijft de opkomst van de eerste gemeente in Jeruzalem in het voorjaar van het jaar 33. De apostelen verrichten openlijk wonderen in de zuilengang van Salomo, de gemeente groeit in aantal, mannen en vrouwen door elkaar, en de reputatie van de apostelen groeit onder het volk, ondanks het ontzag die het oordeel over Ananias en Saffira heeft gewekt. De passage legt een sterke parallel met de bediening van Jezus.
Handelingen 5.1-11 (De Heilige Schrift 1917) :En een zeker man, met name Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have;En onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw; en bracht een zeker deel, en legde dat aan de voeten der apostelen.En Petrus zeide: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt, en onttrekken van den prijs des lands?Zo het gebleven ware, bleef het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode.En Ananias, deze woorden horende, viel neder en gaf den geest. En er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden.En de jongelingen, opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem.En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijn vrouw daar inkwam, niet wetende, wat er geschied was;En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel.En Petrus zeide tot haar: Wat is het, dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Zie, de voeten dergenen, die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen.En zij viel terstond neder voor zijn voeten, en gaf den geest. En de jongelingen ingekomen zijnde, vonden haar dood en droegen ze uit, en begroeven haar bij haar man.En er kwam grote vreze over de gehele Gemeente, en over allen, die dit hoorden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
ADA019
De arrestatie van de apostelen
Het artikel ADA019 becommentarieert Handelingen 5.17-18: geconfronteerd met de opmerkelijke groei van de gemeente in Jeruzalem laten de hogepriester en de sadduceeën, gedreven door jaloezie, de apostelen arresteren. Lucas laat zien dat het werk van Christus, ondanks het verzet van de religieuze autoriteiten, wordt voortgezet door het werk van de Heilige Geest, waarmee de belofte van Handelingen 1.8 wordt vervuld.
Handelingen 19.20 (De Heilige Schrift 1917) :Alzo wies het Woord des Heeren met macht, en nam de overhand.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
ADA020
De wonderbaarlijke bevrijding van de apostelen
Dit artikel analyseert de wonderbaarlijke bevrijding van de apostelen (Handelingen 5.19-21) in Jeruzalem in het voorjaar van het jaar 33. Gearresteerd door de hogepriester en de sadduceeën worden de apostelen 's nachts door een engel uit de gevangenis bevrijd. Lucas vertelt dit wonder sober, met nadruk op de theologische betekenis ervan en de parallellen met het Oude Testament. De engel vertrouwt de bevrijde apostelen de opdracht toe in de tempel “de woorden van dit leven” te verkondigen, een uitdrukking die de boodschap van het heil in Jezus Christus aanduidt.
Handelingen 5.20 (De Heilige Schrift 1917) :Gaat heen, en staat, en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
ADA021
Het zoeken naar de gevangenen
Analyse van Handelingen 5.21-26: na de wonderbaarlijke bevrijding van de apostelen ontdekt het Sanhedrin de lege cellen. Lucas belicht de verwarring van de religieuze autoriteiten, de verlegenheid van de bevelhebber van de tempel en de vrees voor een reactie van het volk. Ondanks het onverklaarbare houden de religieuze leiders vast aan hun verzet en geven ze bevel tot een tweede arrestatie, wat de soevereiniteit van God over alle menselijk verzet illustreert.
Handelingen 5.12-16 (De Heilige Schrift 1917) :En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtelijk in het voorhof van Salomo.En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting.En er werden meer en meer toegedaan, die den Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen;Alzo dat zij de kranken uitdroegen op de straten, en legden op bedden en beddekens, opdat, als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mocht.En ook de menigte uit de omliggende steden kwam gezamenlijk te Jeruzalem, brengende kranken, en die van onreine geesten gekweld waren; welke allen genezen werden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
ADA024
De verrassende reactie van de apostelen
Na hun geseling door het Sanhedrin reageren de apostelen verrassend door zich te verheugen dat zij waardig zijn bevonden te lijden voor de naam van Jezus. Verre van ontmoedigd zetten zij elke dag hun bediening voort in de tempel en in de huizen, waar zij onderwijzen en het goede nieuws verkondigen. Lucas laat zien dat de vervolgingen het Evangelie niet tegenhouden, maar paradoxaal genoeg bijdragen aan de voortgang ervan.
Handelingen 5.42 (De Heilige Schrift 1917) :En zij hielden niet op, allen dag, in den tempel en bij de huizen, te leren, en Jezus Christus te verkondigen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
Historische aantekeningen
-
INF001
Sadduceeën
De Sadduceeën waren een aristocratische en priesterlijke groep van het oude jodendom (200 v.Chr. – 70 n.Chr.), die de Tempel van Jeruzalem en het Sanhedrin controleerde. Zij aanvaardden uitsluitend de Pentateuch en ontkenden de opstanding van de doden en het bestaan van engelen. Vijftien keer genoemd in het Nieuwe Testament, speelden zij een sleutelrol bij de veroordeling van Jezus, met name via Kajafas en Hanna. Hun verdwijning valt samen met de verwoesting van de Tempel in 70 n.Chr.
Handelingen 23.6 (De Heilige Schrift 1917) :En Paulus wetende dat het ene deel was van de Sadduceen, en het andere van de Farizeen, riep in den raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeer, eens Farizeers zoon; ik word over de hoop en opstanding der doden geoordeeld.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
INF002
De farizeeën
De farizeeën, die na de Makkabeese opstand (165 v.Chr.) verschenen, vormden een invloedrijke religieuze groep binnen het oude jodendom. Gehecht aan de geschreven en de mondelinge Thora geloofden zij in de opstanding en bleven zij dicht bij het volk. Hoewel zij in de evangeliën vaak met Jezus in conflict waren, brachten zij toch figuren voort als Nicodemus en Jozef van Arimatea. Hun leer legde na de verwoesting van de tempel in 70 n.Chr. de grondslag voor het rabbijnse jodendom.
Filippenzen 3.5 (De Heilige Schrift 1917) :Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israel, van den stam van Benjamin, een Hebreer uit de Hebreen, naar de wet een Farizeer;De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
INF003
Het Sanhedrin
Het Sanhedrin was de hoogste religieuze, rechterlijke en wetgevende instantie van het jodendom ten tijde van de Tweede Tempel (2e eeuw v.Chr. – 70 n.Chr.). Het bestond uit 71 leden, zetelde in Jeruzalem, legde de Thora uit, beslechtte belangrijke geschillen en hield toezicht op de Hebreeuwse kalender. Het wordt genoemd in de evangeliën en beschreven in de rabbijnse literatuur; na 70 n.Chr. verdwijnt het, maar zijn model blijft de Joodse organisatie en het Joodse rechtsdenken inspireren.
-
INF043
De deuteronomistische bron
De deuteronomistische bron (D) is een van de vier hypothetische bronnen van de Thora volgens de documentenhypothese. Zij is verbonden met het boek Deuteronomium en onderscheidt zich door een homiletische stijl, een verbondstheologie en de nadruk op de centralisatie van de eredienst in Jeruzalem. Zij wordt gedateerd in de 7e eeuw v.Chr., hangt samen met de religieuze hervormingen van koning Josia en heeft ook invloed op de geschiedboeken van Jozua tot 2 Koningen.
1 Koningen 1.1 (De Heilige Schrift 1917) :De koning David nu was oud, wel bedaagd; en zij dekten hem met klederen, doch hij kreeg gene warmte.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
INF044
De priesterlijke bron
De priesterlijke bron (P) is een van de vier hypothetische bronnen van de Thora volgens de documentenhypothese. Gekenmerkt door een formele en herhalende stijl legt zij de nadruk op rituelen, reinheidswetten, genealogieën en cultische ceremonies. Zij stelt God voor als transcendent en majesteitelijk. Gedateerd in de Babylonische ballingschap of de postexilische periode (6e-5e eeuw v.Chr.) zou zij zijn geschreven door priesters van de tempel van Jeruzalem. De geldigheid ervan blijft onder hedendaagse onderzoekers omstreden.
Numberi 1-10 (De Heilige Schrift 1917) :Voorts sprak de HEERE tot Mozes, in de woestijn van Sinai, in de tent der samenkomst, op den eersten der tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende:Neem op de som van de gehele vergadering der kinderen Israels, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israel uittrekken; die zult gij tellen naar hun heiren, gij en Aaron.En met ulieden zullen zijn van elken stam een man, die een hoofdman is over het huis zijner vaderen.Deze zijn nu de namen der mannen, die bij u staan zullen: van Ruben, Elizur, de zoon van Sedeur.Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.Van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran.Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuel.Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.Dezen waren de geroepenen der vergadering, de oversten der stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden van Israel.Toen namen Mozes en Aaron die mannen, welken met namen uitgedrukt zijn.En zij verzamelden de gehele vergadering, op den eersten dag der tweede maand; en die verklaarden hun afkomst, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van die twintig jaren oud was en daarboven, hoofd voor hoofd.Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, zo heeft hij hen geteld in de woestijn van Sinai.Zo waren de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israel, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.Van de zonen van Simeon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, zijn getelden, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.Van de zonen van Gad, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken.Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.Van de zonen van Juda, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.Van de zonen van Issaschar, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.Van de zonen van Zebulon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;Van de zonen van Manasse, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.Van de zonen van Benjamin, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.Van de zonen van Dan, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.Van de zonen van Aser, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aaron, en de oversten van Israel; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner vaderen.Alzo waren al de getelden der zonen van Israel, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in Israel ten heire uittrokken,Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.Maar de Levieten, naar den stam hunner vaderen, werden onder hen niet geteld.Want de HEERE had tot Mozes gesproken, zeggende:Alleen den stam van Levi zult gij niet tellen, noch hun som opnemen, onder de zonen van Israel.Maar gij, stel de Levieten over den tabernakel der getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen den tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen dien bedienen, en zij zullen zich rondom den tabernakel legeren.En als de tabernakel zal optrekken, de Levieten zullen denzelven afnemen; en wanneer de tabernakel zich legeren zal, zullen de Levieten denzelven oprichten; en de vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden.En de kinderen Israels zullen zich legeren, een iegelijk bij zijn leger, en een iegelijk bij zijn banier, naar hun heiren.Maar de Levieten zullen zich legeren rondom den tabernakel der getuigenis, opdat geen verbolgenheid over de vergadering van de kinderen Israels zij; daarom zullen de Levieten de wacht van den tabernakel der getuigenis waarnemen.Zo deden de kinderen Israels; naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden zij.En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:De kinderen Israels zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis hunner vaderen; rondom tegenover de tent der samenkomst zullen zij zich legeren.Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste der zonen van Juda zijn.Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.De banier des legers van Ruben, naar hun heiren, zal tegen het zuiden zijn; en Elizur, de zoon van Sedeur, zal de overste der zonen van Ruben zijn.Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de overste der zonen van Gad zijn.Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.Daarna zal de tent der samenkomst optrekken, met het leger der Levieten, in het midden van de legers; gelijk als zij zich legeren zullen, alzo zullen zij optrekken, een iegelijk aan zijn plaats, naar hun banieren.De banier des legers van Efraim, naar hun heiren, zal tegen het westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste der zonen van Efraim zijn.Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel, de zoon van Pedazur, zal de overste der zonen van Manasse zijn.Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste der zonen van Benjamin zijn.Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.Al de getelden in het leger van Efraim waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.De banier des legers van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun heiren; en Ahiezer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste der zonen van Dan zijn.Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.En nevens hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiel, de zoon van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn.Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren, waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.Maar de Levieten werden niet geteld onder de zonen van Israel, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.En de kinderen Israels deden naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, zo legerden zij zich naar hun banieren, en zo trokken zij op, een iegelijk naar zijn geslachten, naar het huis zijner vaderen.Dit nu zijn de geboorten van Aaron en Mozes; ten dage als de HEERE met Mozes gesproken heeft op den berg Sinai.En dit zijn de namen der zonen van Aaron: de eerstgeborene, Nadab, daarna Abihu, Eleazar, en Ithamar.Dit zijn de namen der zonen van Aaron, der priesteren, die gezalfd waren, welker hand men gevuld had, om het priesterambt te bedienen.Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht des HEEREN, als zij vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN in de woestijn van Sinai brachten, en hadden geen kinderen, doch Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aaron.En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:Doe den stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van den priester Aaron, opdat zij hem dienen;En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht der gehele vergadering, voor de tent der samenkomst, om den dienst des tabernakels te bedienen;En dat zij al het gereedschap van de tent der samenkomst, en de wacht der kinderen Israels waarnemen, om den dienst des tabernakels te bedienen.Gij zult dan, aan Aaron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de kinderen Israels.Maar Aaron en zijn zonen zult gij stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen Israels genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen Israels; en de Levieten zullen Mijne zijn.Want alle eerstgeborene is Mijn; van den dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israel, van de mensen tot de beesten; zij zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE!En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinai, zeggende:Tel de zonen van Levi naar het huis hunner vaderen, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult gij tellen.En Mozes telde hen naar het bevel des HEEREN, gelijk als hem geboden was.Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.En dit zijn de namen der zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simei.En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit zijn de geslachten der Levieten, naar het huis hunner vaderen.Van Gerson was het geslacht der Libnieten, en het geslacht der Simeieten; dit zijn de geslachten der Gersonieten.Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd.De geslachten der Gersonieten zullen zich legeren achter den tabernakel, westwaarts.De overste nu van het vaderlijke huis der Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Lael.En de wacht der zonen van Gerson in de tent der samenkomst zal zijn de tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de tent der samenkomst;En de behangselen des voorhofs, en het deksel van de deur des voorhofs, welke bij den tabernakel en bij het altaar rondom zijn; mitsgaders de zelen, tot zijn gansen dienst.En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzzielieten; dit zijn de geslachten der Kohathieten.In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms.De geslachten der zonen van Kohath zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, zuidwaarts.De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kohathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziel.Hun wacht nu zal zijn de ark, en de tafel, en de kandelaar, en de altaren en het gereedschap des heiligdoms, met hetwelk zij dienst doen, en het deksel, en al wat tot zijn dienst behoort.De overste nu der oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aaron, den priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht des heiligdoms waarnemen.Van Merari is het geslacht der Mahelieten, en het geslacht der Musieten; dit zijn de geslachten van Merari.En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van Merari zal zijn Zuriel, de zoon van Abihail; zij zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, noordwaarts.En het opzicht der wachten van de zonen van Merari zal zijn over de berderen des tabernakels, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten, en al zijn gereedschap, en al wat tot zijn dienst behoort;En de pilaren des voorhofs rondom, en hun voeten, en hun pennen, en hun zelen.Die nu zich legeren zullen voor den tabernakel oostwaarts, voor de tent der samenkomst, tegen den opgang, zullen zijn Mozes, en Aaron met zijn zonen, waarnemende de wacht des heiligdoms, voor de wacht der kinderen Israels; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.Alle getelden der Levieten, welke Mozes en Aaron, op het bevel des HEEREN, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend.En de HEERE zeide tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk is onder de kinderen Israels, van een maand oud en daarboven; en neem het getal hunner namen op.En gij zult voor Mij de Levieten nemen (Ik ben de HEERE!), in plaats van alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels, en de beesten der Levieten, in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten der kinderen Israels.Mozes dan telde, gelijk als de HEERE hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels.En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen, van een maand oud en daarboven, naar hun getelden, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig.En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:Neem de Levieten, in plaats van alle eerstgeboorte onder de kinderen Israels, en de beesten der Levieten, in plaats van hun beesten; want de Levieten zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE!Aangaande de tweehonderd drie en zeventig, die gelost zullen worden, die overschieten, boven de Levieten, van de eerstgeborenen van de kinderen Israels;Gij zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar den sikkel des heiligdoms zult gij ze nemen; die sikkel is twintig gera.En gij zult dat geld aan Aaron en zijn zonen geven, het geld der gelosten die onder hen overschieten.Toen nam Mozes dat losgeld van degenen, die overschoten boven de gelosten door de Levieten.Van de eerstgeborenen van de kinderen Israels nam hij dat geld, duizend driehonderd vijf en zestig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.En Mozes gaf dat geld der gelosten aan Aaron en aan zijn zonen, naar het bevel des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:Neemt op de som der zonen van Kohath, uit het midden der zonen van Levi, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen.Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot dezen strijd inkomt, om het werk in de tent der samenkomst te doen.Dit zal de dienst zijn der zonen van Kohath, in de tent der samenkomst, te weten de heiligheid der heiligheden.In het optrekken des legers, zo zullen Aaron en zijn zonen komen, en den voorhang des deksels afnemen, en zullen daarmede de ark der getuigenis bedekken.En zij zullen een deksel van dassenvellen daarop leggen, en een geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen derzelver handbomen aanleggen.Zij zullen ook op de toontafel een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de schotels, en de reukschalen, en de kroezen, en de dekschotels; ook zal het gedurig brood daarop zijn.Daarna zullen zij een scharlaken kleed daarover uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen derzelver handbomen aanleggen.Dan zullen zij een kleed van hemelsblauw nemen, en bedekken den kandelaar des luchters, en zijn lampen, en zijn snuiters, en zijn blusvaten, en al zijn olievaten, met welke zij aan denzelven dienen.Zij zullen ook denzelven, en al zijn gereedschap, in een deksel van dassenvellen doen, en zullen hem op den draagboom leggen.En over het gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen deszelfs handbomen aanleggen.Zij zullen ook nemen alle gereedschap van den dienst, met hetwelk zij in het heiligdom dienen, en zullen het leggen in een kleed van hemelsblauw, en zullen hetzelve met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen het op den draagboom leggen.En zij zullen de as van het altaar vegen, en zij zullen daarover een kleed van purper uitspreiden.En zij zullen daarop leggen al zijn gereedschap, waarmede zij aan hetzelve dienen, de koolpannen, de krauwelen, en de schoffelen, en de sprengbekkens, al het gereedschap des altaars; en zij zullen daarover een deksel van dassenvellen uitspreiden, en zullen deszelfs handbomen aanleggen.Als nu Aaron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap des heiligdoms, in het optrekken des legers, zullen voleind hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last der zonen van Kohath, in de tent der samenkomst.Het opzicht nu van Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, zal zijn over de olie des luchters, en het reukwerk der welriekende specerijen, en het gedurig spijsoffer, en de zalfolie; het opzicht des gansen tabernakels, en alles wat daarin is, aan het heiligdom en aan zijn gereedschap.En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:Gij zult den stam van de geslachten der Kohathieten niet laten uitgeroeid worden, uit het midden der Levieten;Maar dit zult gij hun doen, opdat zij leven en niet sterven, als zij tot de heiligheid der heiligheden toetreden zullen: Aaron en zijn zonen zullen komen, en stellen hen een ieder over zijn dienst en aan zijn last.Doch zij zullen niet inkomen om te zien, als men het heiligdom inwindt, opdat zij niet sterven.En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:Neem ook op de som der zonen van Gerson, naar het huis hunner vaderen, naar hun geslachten.Gij zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt om den strijd te strijden, opdat hij den dienst bediene in de tent der samenkomst.Dit zal zijn de dienst der geslachten van de Gersonieten, in het dienen en in den last.Zij zullen dan dragen de gordijnen des tabernakels, en de tent der samenkomst; te weten haar deksel, en het dassendeksel, dat er bovenop is, en het deksel der deur van de tent der samenkomst,En de behangselen des voorhofs, en het deksel der deur van de poort des voorhofs, hetwelk is bij den tabernakel en bij het altaar rondom; en hun zelen, en al het gereedschap van hun dienst, mitsgaders al wat daarvoor bereid wordt, opdat zij dienen.De gehele dienst van de zonen der Gersonieten, in al hun last, en in al hun dienst, zal zijn naar het bevel van Aaron en van zijn zonen; en gijlieden zult hun ter bewaring al hun last bevelen.Dit is de dienst van de geslachten der zonen van de Gersonieten, in de tent der samenkomst; en hun wacht zal zijn onder de hand van Ithamar, den zoon van Aaron, den priester.Aangaande de zonen van Merari, die zult gij naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen tellen.Gij zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt tot dezen strijd, om te bedienen den dienst van de tent der samenkomst.Dit zal nu zijn de onderhouding van hun last, naar al hun dienst, in de tent der samenkomst: de berderen des tabernakels, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten;Mitsgaders de pilaren des voorhofs rondom, hun voeten, en hun pennen, en hun zelen, met al hun gereedschap, en met al hun dienst; en het gereedschap van de waarneming van hun last zult gij bij namen tellen.Dit is de dienst van de geslachten der zonen van Merari, naar hun gansen dienst, in de tent der samenkomst, onder de hand van Ithamar, den zoon van Aaron, den priester.Mozes dan en Aaron, en de oversten der vergadering telden de zonen der Kohathieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen:Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst;Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.Dit zijn de getelden van de geslachten der Kohathieten, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.Insgelijks de getelden der zonen van Gerson, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen;Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst;Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Gerson, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron telden, naar het bevel des HEEREN.En de getelden van de geslachten der zonen van Merari, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen,Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst;Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Merari, welke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.Al de getelden, welke Mozes en Aaron, en de oversten van Israel geteld hebben van de Levieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen,Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam, om den dienst der bediening en den dienst van den last, in de tent der samenkomst, te bedienen;Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd en tachtig.Men telde hen, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes, een ieder naar zijn dienst, en naar zijn last; en zijn getelden waren, die de HEERE Mozes geboden had.En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:Gebied den kinderen Israels, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode.Van den man tot de vrouw toe zult gij hen wegzenden; tot buiten het leger zult gij hen wegzenden; opdat zij niet verontreinigen hun legers, in welker midden Ik wone.En de kinderen Israels deden alzo, en zonden hen tot buiten het leger; gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had, alzo deden de kinderen Israels.Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:Spreek tot de kinderen Israels: Wanneer een man of een vrouw iets van enige menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen den HEERE, zo is diezelve ziel schuldig.En zij zullen hun zonde, welke zij gedaan hebben, belijden; daarna zal hij zijn schuld weder uitkeren, naar de hoofdsom daarvan, en derzelfder vijfde deel zal hij daarboven toedoen, en zal het dien geven, aan wien hij zich verschuldigd heeft.Maar zo die man geen losser zal hebben, om de schuld aan hem weder uit te keren, zal die schuld, welken den HEERE weder uitgekeerd wordt, des priesters zijn; behalve den ram der verzoening, met welken hij voor hem verzoening doen zal.Desgelijks zal alle heffing van alle geheiligde dingen der kinderen Israels, welke zij tot den priester brengen, zijne zijn.En een ieders geheiligde dingen zullen zijne zijn; wat iemand den priester zal gegeven hebben, zal zijne zijn.Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer van iemand zijn huisvrouw zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben;Dat een man bij haar door bijligging des zaads zal gelegen hebben, en het voor de ogen haars mans zal verborgen zijn, en zij zich verheeld zal hebben, zijnde nochtans onrein geworden; en geen getuige tegen haar is, en zij niet betrapt is;En de ijvergeest over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijn huisvrouw, dewijl zij onrein geworden is; of dat over hem de ijvergeest gekomen is, dat hij over zijn huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein geworden is;Dan zal die man zijn huisvrouw tot den priester brengen, en zal haar offerande voor haar medebrengen, een tiende deel van een efa gerstemeel; hij zal geen olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, dewijl het een spijsoffer der ijveringen is, een spijsoffer der gedachtenis, dat de ongerechtigheid in gedachtenis brengt.En de priester zal haar doen naderen; hij zal haar stellen voor het aangezicht des HEEREN.En de priester zal heilig water in een aarden vat nemen; en van het stof, hetwelk op den vloer des tabernakels is, zal de priester nemen, en in het water doen.Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht des HEEREN stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het spijsoffer der gedachtenis op haar handen leggen, hetwelk het spijsoffer der ijveringen is; en in de hand des priesters zal dat bitter water zijn, hetwelk den vloek medebrengt.En de priester zal haar beedigen, en zal tot die vrouw zeggen: Indien iemand bij u gelegen heeft, en indien gij, onder uw man zijnde, niet afgeweken zijt tot onreinigheid, wees vrij van dit bitter water, hetwelk den vloek medebrengt!Maar zo gij, onder uw man zijnde, afgeweken zijt, en zo gij onrein geworden zijt, dat een man bij u gelegen heeft, behalve uw man:(Dan zal de priester die vrouw met den eed der vervloeking beedigen, en de priester zal tot die vrouw zeggen:) De HEERE zette u tot een vloek, en tot een eed, in het midden uws volks, mits dat de HEERE uw heup vervallende, en uw buik zwellende make;Dat ditzelve water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om den buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen!Daarna zal de priester deze zelfde vloeken op een cedeltje schrijven, en hij zal het met het bitter water uitdoen.En hij zal die vrouw dat bitter water, hetwelk de vervloeking medebrengt, te drinken geven, dat het water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in haar tot bitterheden inga.En de priester zal uit de hand van die vrouw het spijsoffer der ijveringen nemen, en hij zal datzelve spijsoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen, en zal dat op het altaar offeren.De priester zal ook van dat spijsoffer, deszelfs gedenkoffer, een handvol grijpen, en zal het op het altaar aansteken; en daarna zal hij dat water die vrouw te drinken geven.Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, het zal geschieden, indien zij onrein geworden is, en tegen haar man door overtreding zal overtreden hebben, dat het water, hetwelk vervloeking medebrengt, tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen, en haar heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden van haar volk tot een vloek zijn.Doch indien de vrouw niet onrein geworden is, maar rein is, zo zal zij vrij zijn, en zal met zaad bezadigd worden.Dit is de wet der ijveringen, als een vrouw, onder haar man zijnde, zal afgeweken en onrein geworden zijn;Of als over en man die ijvergeest zal gekomen zijn, en hij over zijn huisvrouw zal geijverd hebben, dat hij de vrouw voor het aangezicht des HEEREN stelle, en de priester aan haar deze ganse wet volbrenge.En de man zal van de ongerechtigheid onschuldig zijn; maar diezelve vrouw zal haar ongerechtigheid dragen.En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireers, om zich den HEERE af te zonderen;Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten.Al de dagen van zijn Nazireerschap zal hij niet eten van iets, dat van den wijnstok des wijns gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe.Al de dagen der gelofte van zijn Nazireerschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich den HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds wassen.Al de dagen, die hij zich den HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij tot het lichaam eens doden niet gaan.Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broeder of om zijn zuster, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want het Nazireerschap zijns Gods is op zijn hoofd.Al de dagen van zijn Nazireerschap is hij den HEERE heilig.En zo de gestorvene bij hem onvoorziens haastelijk gestorven ware, dat hij het hoofd van zijn Nazireerschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op den dag zijner reiniging zijn hoofd bescheren; op den zevenden dag zal hij het bescheren.En op den achtsten dag zal hij twee tortelduiven, of twee jonge duiven brengen tot den priester, tot de deur van de tent der samenkomst.De priester nu zal een bereiden ten zondoffer, en een ten brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij aan het dode lichaam gezondigd heeft; alzo zal hij zijn hoofd op dienzelfden dag heiligen.Daarna zal hij de dagen van zijn Nazireerschap den HEERE afzonderen, en zal een lam, dat eenjarig is, brengen ten schuldoffer; en de vorige dagen zullen vallen, omdat zijn Nazireerschap verontreinigd was.En dit is de wet des Nazireers: op den dag, als de dagen van zijn Nazireerschap zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de tent der samenkomst.Hij dan zal tot zijn offerande den HEERE offeren een volkomen eenjarig lam ten brandoffer, en een volkomen eenjarig ooilam ten zondoffer, en een volkomen ram ten dankoffer.En een korf ongezuurde koeken, koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken, mitsgaders hun spijsoffer, en hun drankofferen;En de priester zal het voor het aangezicht des HEEREN brengen, en zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden.Hij zal ook den ram ten dankoffer den HEERE bereiden, met den korf der ongezuurde koeken; en de priester zal zijn spijsoffer en zijn drankoffer bereiden.Alsdan zal de Nazireer, aan de deur van de tent der samenkomst, het hoofd van zijn Nazireerschap bescheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn Nazireerschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het dankoffer is.Daarna zal de priester een gezoden schouder nemen van den ram, en een ongezuurden koek uit den korf, en een ongezuurde vlade; en hij zal ze op de handen des Nazireers leggen, nadat hij zijn Nazireerschap afgeschoren heeft.En de priester zal die bewegen ten beweegoffer, voor het aangezicht des HEEREN; het is een heilig ding voor den priester, met de borst des beweegoffers, en met den schouder des hefoffers; en daarna zal die Nazireer wijn drinken.Dit is de wet des Nazireers, die zijn offerande den HEERE voor zijn Nazireerschap zal beloofd hebben, behalve wat zijn hand bekomen zal; naar zijn gelofte, welke hij beloofd zal hebben, alzo zal hij doen, naar de wet van zijn Nazireerschap.En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:Spreek tot Aaron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israels zegenen, zeggende tot hen:De HEERE zegene u, en behoede u!De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!Alzo zullen zij Mijn Naam op de kinderen Israels leggen; en Ik zal hen zegenen.En het geschiedde ten dage, als Mozes geeindigd had den tabernakel op te richten, en dat hij dien gezalfd, en dien geheiligd had, en al zijn gereedschap, mitsgaders het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd, en dezelve geheiligd had;Dat de oversten van Israel, de hoofden van het huis hunner vaderen, offerden; deze waren de oversten der stammen, die over de getelden stonden.En zij brachten hun offerande voor het aangezicht des HEEREN, zes overdekte wagens, en twaalf runderen; een wagen voor twee oversten, en een os voor elk een; en brachten ze voor den tabernakel.En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen den dienst van de tent der samenkomst; en gij zult dezelve den Levieten geven, een ieder naar zijn dienst.Alzo nam Mozes die wagens, en die runderen, en gaf dezelve den Levieten.Twee wagens en vier runderen gaf hij den zonen van Gerson, naar hun dienst;En vier wagens en acht runderen gaf hij den zonen van Merari, naar hun dienst; onder de hand van Ithamar, den zoon van Aaron, den priester.Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst der heilige dingen was op hen, die zij op de schouderen droegen.En de oversten offerden ter inwijding des altaars, op den dag als hetzelve gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offeranden voor het altaar.En de HEERE zeide tot Mozes: Elke overste zal (een iegelijk op zijn dag) zijn offerande offeren, ter inwijding des altaars.Die nu op den eersten dag zijn offerande offerde, was Nahesson, de zoon van Amminadab, voor den stam van Juda.En zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;Een geitenbok, ten zondoffer;En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nahesson, den zoon van Amminadab.Op den tweeden dag offerde Nethaneel, de zoon van Zuar, de overste van Issaschar.Hij offerde zijn offerande: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;En een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;Een geitenbok, ten zondoffer;En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nethaneel, den zoon van Zuar.Op den derden dag offerde de overste der zonen van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;Een geitenbok, ten zondoffer;En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Eliab, den zoon van Helon.Op den vierden dag offerde de overste der kinderen van Ruben, Elizur, de zoon van Sedeur.Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;Een geitenbok, ten zondoffer;En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Elizur, den zoon van Sedeur.Op den vijfden dag offerde de overste der kinderen van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;Een geitenbok, ten zondoffer;En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Selumiel, den zoon van Zurisaddai.Op den zesden dag offerde de overste der kinderen van Gad, Eljasaf, den zoon van Dehuel.Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem gemengd met olie, ten spijsoffer;Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;Een geitenbok, ten zondoffer;En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Eljasaf, den zoon van Dehuel.Op den zevenden dag offerde de overste der kinderen van Efraim, Elisama, den zoon van Ammihud.Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;Een geitenbok, ten zondoffer;En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Elisama, den zoon van Ammihud.Op den achtsten dag offerde de overste der kinderen van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;Een geitenbok, ten zondoffer;En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Gamaliel, den zoon van Pedazur.Op den negenden dag offerde de overste der kinderen van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;Een geitenbok, ten zondoffer;En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Abidan, den zoon van Gideoni.Op den tienden dag offerde de overste der kinderen van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;Een geitenbok, ten zondoffer;En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Ahiezer, den zoon van Ammisaddai.Op den elfden dag offerde de overste der kinderen van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran.Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;Een geitenbok, ten zondoffer;En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Pagiel, den zoon van Ochran.Op den twaalfden dag offerde de overste der kinderen van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;Een geitenbok, ten zondoffer;En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Ahira, den zoon van Enan.Dit was de inwijding des altaars van de oversten van Israel, op den dag als hetzelve gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden reukschalen.Een zilveren schotel was van honderd dertig sikkelen, en een sprengbekken van zeventig; al het zilver van de vaten was twee duizend en vierhonderd sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.Twaalf gouden reukschalen van reukwerks; elke reukschaal was van tien sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; al het goud der reukschalen was honderd en twintig sikkelen.Al de runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitenbokken ten zondoffer.En al de runderen ten dankoffer waren vier en twintig varren, de rammen zestig, de bokken zestig, de eenjarige lammeren zestig. Dit is de inwijding des altaars, nadat hetzelve gezalfd was.En als Mozes in de tent der samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, hetwelk is op de ark der getuigenis, van tussen de twee cherubim. Alzo sprak Hij tot hem.En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:Spreek tot Aaron, en zeg tot hem: Als gij de lampen aansteken zult, recht tegenover den kandelaar zullen de zeven lampen lichten.En Aaron deed alzo: tegenover vooraan den kandelaar stak hij deszelfs lampen aan; gelijk als de HEERE Mozes geboden had.Dit werk nu des kandelaars was van dicht goud, tot zijn schacht, tot zijn bloemen was het dicht; naar de gedaante, die de HEERE Mozes vertoond had, alzo had hij den kandelaar gemaakt.En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:Neem de Levieten uit het midden van de kinderen Israels, en reinig hen.En aldus zult gij hun doen, om hen te reinigen: spreng op hen water der ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun ganse vlees doen gaan, en zij zullen hun klederen wassen, en zich reinigen.Daarna zullen zij nemen een var, een jong rund, met zijn spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd; en een anderen var, een jong rund, zult gij nemen ten zondoffer.En gij zult de Levieten voor de tent der samenkomst doen naderen; en gij zult de gehele vergadering der kinderen Israels doen verzamelen.Ja, gij zult de Levieten voor het aangezicht des HEEREN doen naderen; en de kinderen Israels zullen hun handen op de Levieten leggen.En Aaron zal de Levieten bewegen ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN, vanwege de kinderen Israels; opdat zij zijn, om den dienst des HEEREN te bedienen.En de Levieten zullen hun handen op het hoofd der varren leggen; daarna bereidt gij een ten zondoffer, en een ten brandoffer den HEERE, om over de Levieten verzoening te doen.En gij zult de Levieten stellen voor het aangezicht van Aaron, en voor het aangezicht van zijn zonen, en gij zult hen bewegen ten beweegoffer den HEERE.En gij zult de Levieten uit het midden van de kinderen Israels uitscheiden, opdat de Levieten Mijn zijn.En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent der samenkomst te bedienen; en gij zult hen reinigen, en zult hen ten beweegoffer bewegen.Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen Israels; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen Israels, heb Ik ze Mij genomen.Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israels is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; ten dage dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelve Mij geheiligd.En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels.En Ik heb de Levieten aan Aaron en aan zijn zonen tot een gift gegeven, uit het midden van de kinderen Israels, om den dienst van de kinderen Israels in de tent der samenkomst te bedienen, en om voor de kinderen Israels verzoening te doen, dat er geen plage zij onder de kinderen Israels, als de kinderen Israels tot het heiligdom naderen zouden.En Mozes deed, en Aaron, en de ganse vergadering der kinderen Israels, aan de Levieten, naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had van de Levieten, zo deden de kinderen Israels aan hen.En de Levieten ontzondigden zich, en wiesen hun klederen, en Aaron bewoog hen ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; en Aaron deed verzoening over hen, om hen te reinigen.En daarna kwamen de Levieten, om hun dienst te bedienen in de tent der samenkomst, voor het aangezicht van Aaron, en voor het aangezicht zijner zonen; gelijk als de HEERE Mozes van de Levieten geboden had, alzo deden zij aan hen.En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:Dit is het, wat de Levieten aangaat: van vijf en twintig jaren oud en daarboven, zullen zij inkomen, om den strijd te strijden, in den dienst van de tent der samenkomst.Maar van dat hij vijftig jaren oud is, zal hij van den strijd van dezen dienst afgaan, en hij zal niet meer dienen.Doch hij zal met zijn broederen dienen in de tent der samenkomst, om de wacht waar te nemen; maar den dienst zal hij niet bedienen. Alzo zult gij aan de Levieten doen in hun wachten.En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinai, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, in de eerste maand, zeggende:Dat de kinderen Israels het pascha houden zouden, op zijn gezetten tijd.Op den veertienden dag in deze maand, tussen twee avonden zult gij dat houden, op zijn gezetten tijd; naar al zijn inzettingen, en naar al zijn rechten zult gij dat houden.Mozes dan sprak tot de kinderen Israels, dat zij het pascha zouden houden.En zij hielden het pascha op den veertienden dag der eerste maand, tussen de twee avonden, in de woestijn van Sinai; naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, alzo deden de kinderen Israels.Toen waren er lieden geweest, die over het dode lichaam eens mensen onrein waren, en op denzelven dag het pascha niet hadden kunnen houden; daarom naderden zij voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Aaron op dienzelven dag.En diezelve lieden zeiden tot hem: Wij zijn onrein over het dode lichaam eens mensen; waarom zouden wij verkort worden, dat wij de offerande des HEEREN op zijn gezetten tijd niet zouden offeren, in het midden van de kinderen Israels?En Mozes zeide tot hen: Blijft staande, dat ik hoor, wat de HEERE u gebieden zal.Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer iemand onder u, of onder uw geslachten, over een dood lichaam onrein, of op een verren weg zal zijn, hij zal dan nog den HEERE het pascha houden.In de tweede maand, op den veertienden dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; met ongezuurde broden en bittere saus zullen zij dat eten.Zij zullen daarvan niet overlaten tot den morgen, en zullen daaraan geen been breken; naar alle inzetting van het pascha zullen zij dat houden.Als een man, die rein is, en op den weg niet is, en nalaten zal het pascha te houden, zo zal diezelve ziel uit haar volken uitgeroeid worden; want hij heeft de offerande des HEEREN op zijn gezetten tijd niet geofferd, diezelve man zal zijn zonde dragen.En wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, en hij het pascha den HEERE ook houden zal, naar de inzetting van het pascha, en naar zijn wijze, alzo zal hij het houden; het zal enerlei inzetting voor ulieden zijn, beiden den vreemdeling en den inboorling des lands.En op den dag van het oprichten des tabernakels bedekte de wolk den tabernakel, op de tent der getuigenis; en in den avond was over den tabernakel als een gedaante des vuurs, tot aan den morgen.Alzo geschiedde het geduriglijk; de wolk bedekte denzelven, en des nachts was er een gedaante des vuurs.Maar nadat de wolk opgeheven werd van boven de tent, zo verreisden ook daarna de kinderen Israels; en in de plaats, waar de wolk bleef, daar legerden zich de kinderen Israels.Naar den mond des HEEREN, verreisden de kinderen Israels, en naar des HEEREN mond legerden zij zich; al de dagen, in dewelke de wolk over den tabernakel bleef, legerden zij zich.En als de wolk vele dagen over den tabernakel verbleef, zo namen de kinderen Israels de wacht des HEEREN waar, en verreisden niet.Als het nu was, dat de wolk weinige dagen op den tabernakel was, naar den mond des HEEREN legerden zij zich, en naar den mond des HEEREN verreisden zij.Maar was het, dat de wolk van den avond tot den morgen daar was, en de wolk in den morgen opgeheven werd, zo verreisden zij; of des daags, of des nachts, als de wolk opgeheven werd, zo verreisden zij.Of als de wolk twee dagen, of een maand, of vele dagen vertoog op den tabernakel, blijvende daarop, zo legerden zich de kinderen Israels, en verreisden niet; en als zij verheven werd, verreisden zij.Naar den mond des HEEREN legerden zij zich, en naar den mond des HEEREN verreisden zij; zij namen de wacht des HEEREN waar, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult gij ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering, en tot den optocht der legers.Als zij met dezelve blazen zullen, dan zal de gehele vergadering tot u vergaderd worden, aan de deur van de tent der samenkomst.Maar als zij met de ene zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden der duizenden van Israel.Als gij met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken.Maar als gij ten tweeden male met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten.Maar in het verzamelen van de gemeente, zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken.En de zonen van Aaron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen ulieden zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten.En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en gij zult van uw vijanden verlost worden.Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en in uw gezette hoogtijden, en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben de HEERE, uw God!En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den tabernakel der getuigenis.En de kinderen Israels togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinai; en de wolk bleef in de woestijn Paran.Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminadab.En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari togen op, dragende den tabernakel.Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur.En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij reisden.Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israel het goede gesproken.Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! tot de tien duizenden der duizenden van Israel!De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
Woord van een Vriend
-
PDA001
De steen werpen
Het artikel behandelt de bijbelse episode waarin Jezus de beschuldigers van een overspelige vrouw confronteert en vergeving leert in plaats van oordeel. Jezus verklaart dat alleen wie zonder zonde is de eerste steen mag werpen, een antwoord dat de beschuldigers uiteen drijft. Dit verhaal benadrukt Jezus’ mededogen en zijn rol als redder, en pleit voor vergeving en verlossing in plaats van veroordeling.
Johannes 8.11 (De Heilige Schrift 1917) :En zij zeide: Niemand, Heere! En Jezus zeide tot haar: Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig niet meer.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
-
ANN003
De geboorte en de bediening van Johannes de Doper
Deze bijlage bestudeert de geboorte en de bediening van Johannes de Doper aan de hand van het Evangelie van Lucas. Zij stelt zijn ouders Zacharias en…
-
ANN031
De hogepriesters
Het artikel onderzoekt de rol van de hogepriesters onder de Romeinse bezetting, met de nadruk op Annas en Kajafas, en de verwevenheid van religieuze en politieke macht. De…
-
ANN075
De verkopers uit de tempel verdreven
Het artikel onderzoekt het voorval waarin Jezus de kooplieden uit de tempel verdrijft, een gebeurtenis die in de Evangeliën van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes verschillend wordt verteld. Terwijl…
-
ANN088
De twee zalvingen van Jezus, de Messias
Het artikel analyseert de zalvingen van Jezus, de Messias, in de Evangeliën en laat het contrast zien tussen de waarden van Jezus en die van Simon, de farizeeër. Het onderstreept de…